maandag 17 maart 2025

Niks mis mee - verhalen uit de praktijk

Na mijn scheiding, nu ruim tien jaar geleden, had ik geen cent te makken, zoals dat heet, maar een ijzersterke overlevingsdrang en een strak budgetplan. Ik woonde in een huurwoning van 900 euro, had een hypotheekschuld van 145.000 en moest ondanks 3 banen (2 wit, 1 zwart) rondkomen van 80 euro per week voor een gezin van 3 plus een hond en een zooitje katten. Dat lukte. Maar dan moest er niemand ziek worden. En vertel dat maar eens aan een stelletje oude, seniele huisdieren. Toch lukte het me zelfs om nog wat te sparen, want in 2015, na een jaar fietsen door weer en wind op een roestige oude Gazelle, kocht ik een 15 jaar oude Daewoo met Deuk. Opbouwen, zei ik tegen mezelf, tussen alle huilbuien vol zelfmedelijden door. Een stofzuiger, een grasmaaier, een boor, een auto met elektrische ramen, ik had een lijst van zaken die een onafhankelijke vrouw nodig had (volgens mij dan) en langzaam maar zeker vinkte ik alles af. Hard werken, hand op de knip, gewoon effe flink de schouders eronder. Niks mis mee.

Vanmiddag zat ik met een dakloze jongen bij een zorgorganisatie. Na weken leuren hadden ze hier misschien plek voor hem.
"Maar je krijgt het niet cadeau", zegt de hulpverlener. "Eerst een inkomen. Eerst een baan."
"Ja maar", zegt de jongen.
"Ja maar", zeg ik.
Maar de zorgverlener is heel stellig. "Er is werk zat", zegt hij. "McDonalds, magazijnwerk, spoelkeukens. Het zit nu even tegen, maar dat blijft niet zo. Dat bepaal je zelf. Gewoon je schouders eronder, man. Niks mis mee".

Ik werk al jaren in de hulpverlening en zo streng als ik voor mezelf ben, ben ik niet voor mijn klantjes. Ik zie hun zwakheden, hun beperkingen, en stem daar mijn begeleiding op af. En mijn collega's doen dit ook zo. Maar de laatste tijd vraag ik me steeds vaker af of we met zijn allen wel zo goed bezig zijn. Zijn we niet veel te zacht geworden? In mijn jonge jaren bestonden er geen diagnoses als AD(H)D of ASS (en voor diegenen die deze afkortingen niet kennen, waar was je de laatste jaren?) en dus was er ook geen zorg op afgestemd. Toch hebben veel van deze mensen het gewoon gered. Ik weet dat, omdat ik er zo een paar in mijn omgeving kan aanwijzen die vandaag de dag een stempeltje hadden gekregen. Ze zijn gaan werken, met vallen en opstaan, omdat het van hen werd verwacht, ze hebben zich sociale basisvaardigheden aangeleerd, door nadoen en herhalen, omdat het van hen werd verwacht. Termen als overprikkeld en overvraagd hoorde je niet, je was hooguit oververmoeid. Nu zijn er hele organisaties die zich speciaal bezighouden met het begeleiden/coachen van mensen die neurodivergent zijn (als je brein prikkels op een andere manier verwerkt dan neurotypische mensen) en zijn er speciale les- en coachingsprogramma's voor HSP-ers (hoogsensitieve personen) en HB-ers (hoogbegaafden). En door de alsmaar toenemende vraag, schieten ze als paddenstoelen uit de grond. En nooit eerder zaten er zoveel jongeren en jongvolwassenen thuis. Waar bleven deze mensen vroeger? Wie waren zij?

Binnenvetters, noemden we ze. Buitenbeentjes. Nerds. Verlegen. Sociaal onhandig. Eenlingen. Stille wateren of stuiterballetjes. Of, in t geval van de hoogbegaafden: VWO-ers. Niks mis mee.

"Je moet het verdienen", zegt de zorgverlener tegen de jongen. "Ik kan alles naar je toe brengen, hier is je koffie, hier je lepel, de suiker, de melk, maar daar schiet je niks mee op. Je moet het zelf willen en zelf doen. Zorg voor je eigen koffie. Dan krijg je een mooi leven, man." Het klinkt radicaal en even zie ik onbegrip, overprikkeling, overvraging, etcetera, van die typische hedendaagse mitsen en maren, en ik denk: die haakt af, nu ben je hem kwijt. Maar dan lichten zijn ogen op. Geen betutteling, geen fluwelen handschoenen, hij wordt serieus genomen en op zijn manzijn aangesproken (ook al zoiets ouderwets)! Zie ik daar een glimp van begeestering en motivatie? Gaat dit lukken? Wordt dit een match?

Of het in de praktijk ook goed gaat komen, ik weet het niet, misschien heeft hij dit nodig, misschien niet. Maar als de schop onder zijn kont niet werkt, dan staat er ongetwijfeld een heel team hulpverleners klaar om hem op te vangen. Ook niks mis mee.




donderdag 13 maart 2025

Root of all evil!

Gisteravond zag ik een stukje uit het nieuwe Netflix programma "With Love, Meghan", waarin de vrouw van voormalig Prins en Polospeler Harry decoratief als altijd rondloopt in een zonovergoten keuken die duidelijk niet de hare is, om samen met vrienden die wij vage kennissen zouden noemen, oergezonde en versbereide gerechtjes te maken. Verse bramen, verse bessen, verse honing, verse munt, alles uit een biologisch dynamische en waarschijnlijk fictieve tuin. Kennelijk was al het stof van de docu uit 2022, het gesprek met Oprah en het boek van haar wederhelft naar de bodem gezakt en vond ze het wel weer tijd worden voor wat spotlights. Maar ja, je kon erop wachten. Want alles wat zij aanraakt roept om de een of andere reden een vloedgolf aan haat op. Zelfs recensenten uit gerenommeerde Amerikaanse media laten geen spaan van het programma heel. En hoe erg is het nou helemaal? Gewoon een fraai ogend niemendalletje, zoals we ze dagelijks zien. Eigen Huis en Tuin op zijn Californisch! 

Ik vond haar de mooiste bruid aller tijden. Die jurk alleen al, adembenemend in al zijn maagdelijke, pure eenvoud (voor wie het weten wil: ontworpen door Claire Waith Keller, toen nog werkzaam voor Givenchy), de lichtinval in de St. George's Chapel, de zonnestralen die als een hemels licht door de gebrandschilderde ramen precies op haar serene gezicht vielen, terwijl de ijle sopraan van Elin Manaha Thomas het "Eternal Source of Light Divine" door de gewelven van de oude kapel liet klinken (klik hier voor link). Ik zat gekluisterd aan de buis. Harry was onze boefjesprins en Meghan was zijn sprookjesbruid. 

Wat ging er fout? 

Nou, ten eerste werd ze zwanger. Precies volgens het koninklijke boekje natuurlijk en in feite niets bijzonders, alleen liep zij 9 maanden lang constant met haar hand onder haar buik. Ik weet niet wat ik erger vind, de ontblote pens waarop elke zwangere Hollywoodster of R&B zangeres ons tegenwoordig trakteert of het beschermende, heus wel lieve, maar in mijn ogen ook behoorlijk aanstellerige "cupping", zoals dit dus heet. Alsof ze de eerste zwangere ter wereld was. The world is her stage, dacht ik toen. 

En toen kwamen de eerste scheuren, het venijn, de roddels en uiteindelijk de grafrede van die verschrikkelijke Britse paparazzi die geen schaamte kennen. Ze wist waar ze aan begon, zei ik toen. Een prinses in Nederland zit op de hotelschool en is influencer op TikTok, maar in het grote Britse rijk is het een fulltime baan met verplichtingen, tradities en decorum. Maar, denk ik nu, is het misschien, heel misschien een mogelijkheid dat ze dit allemaal níet wist? 

Als ik haar in haar nepkeuken tegen haar multiculti nepvriendin hoor zeggen dat ze niet langer aangesproken wil worden met haar meisjesnaam maar met haar mans naam Sussex, besef ik dat ze het misschien helemaal niet wist. Dat ze dacht dat ze gewoon Prinsesje Meghan zou worden. Met veel aandacht, torenhoge pumps, jurken van Dior en waxjassen van Barbour. Maar als niemand zelfs maar de moeite heeft genomen om haar uit te leggen dat Sussex Harry's titel is en niet zijn achternaam (Mountbatten-Windsor, voor wie het weten wil en zelfs dat is maar half waar), hoe kon ze dan ooit bevroeden wat haar te wachten stond? Dat ze met haar achtergrond, haar biraciale uiterlijk, en eerlijk is eerlijk, haar zó niet Britse gedrag, nooit een Kate zou worden? Dat ze als naief lam geofferd zou worden door het Engelse volk en zijn media? Ik was in ieder geval blij dat mijn eigen Jamaicaans-Hollandse meiden niet voor het altaar van die bloedproevende wolven stonden. Dan maar geen prins in de familie. Verrek, misschien vind ik het zeven jaar na dato toch nog zielig voor haar. Een beetje dan, hè. Want wat zich daar voor onze ogen afspeelde, was het klassieke verhaal van een vrouw die, bewust of niet, de wortel van het kwaad is en een wig drijft tussen vader en zoon, tussen broeders onderling, en zelfs tussen volkeren en religies. Van de Trojaanse oorlog, via Anna Boleyn, tot aan Legends of the Fall... the root of all evil! 

Enfin, ik heb in ieder geval geleerd wat een crudité is. Dat is een bord vol keurig gerangschikte rauwkost. En als je dat op feestjes eet, en geen verjaardagstaart en toastjes met brie zoals ik, dan word je misschien ooit net zo slank als Meghan van Sussex! 





dinsdag 4 maart 2025

Babyboomerbabbel

Ik sta net de boodschappen uit te pakken als mijn ex belt. "Hallo ex-man", zeg ik als ik opneem. "Hallo moeder van mijn kinderen", antwoordt hij. De toon is gezet. 
"Waar ik eerst zei dat het met 100% zekerheid zelfmoord was, twijfel ik nu toch", zegt hij. Ik hoef niet te schakelen, weet meteen waar hij het over heeft. "Ik denk dat hij eruit wilde stappen en haar en de hond meenam.", vervolgt hij. "Jaaa", zeg ik, "maar er waren nóg twee honden, hè, en die leefden nog." Zo kakelen we even voort. Gedurende ons gemeenschappelijke leven waren we beiden groot fan van Gene Hackman, maar elke keer als we hem in een film zagen, konden we niet op zijn naam komen. Het was een soort gezamenlijke blinde vlek. "Begint met een G", wisten we vaak. In die internetloze dagen was dat nog best lastig, je was afhankelijk van een encyclopedie, de bieb of een alleswetende neef. Dan had ik dagen na dato in de krant moeten lezen dat Gene Hackman dood is. Zonder de roddels en achterklap en zonder complottheorieën achteraf. Het was een feit geweest, een droog feitje ergens op pagina 17 van het media katern. Toen we het nieuws en vooral het gedrukte woord nog vertrouwden.

Even later, ik zit wat zakkig op de bank en eet een bakje opgewarmde pasta van een dag oud, scroll ik verveeld door Tinder.
"Mam, op Tinder zitten alleen mannen voor de seks. Of jongeren", had de inwonende dochter een dag eerder nog gezegd toen ik verhaalde van al die verspilde tijd met een man die nog een vrouw op de bank bleek te hebben zitten. Al 18 jaar een broerzusrelatie, had hij gezegd. En in 16 daarvan had hij een relatie gehad met een collega. Voor jeweetwel, vandattum, voor krikken, kezen, kieren, wippen, naaien en vozen, maar hij noemde het 'gepassioneerd beminnen', in het kader van de betere marketing. Maar nu was dat uit, zei hij, en zocht hij vervanging. Ik wilde schreeuwen: "En aan jou heb ik 24 uur van mijn leven verspild, you piece of trash" (en andere gloedvolle synoniemen), maar ik zei, keurige Gerda die ik ben: "Bedankt voor je genereuze aanbod, maar ik sla over".
"Er zitten heus ook normale mannen op Tinder", zei ik tegen de dochter. "Ik heb er echt leuke, normale mannen ontmoet."
Ze keek me aan. "Ja, twee toch zeker".

Na het getrouwde exemplaar, raakte ik aan de praat met een heerschap uit Zutphen. Een fotograaf, dat is op zich al een rode vlag. En hij oogde eigenlijk ook net wat te gladjes. Maar hij was grappig. En ik val voor mannen met tekst. Tot dat ene zinnetje over mijn figuur. He liked, zei hij. En sorry, kritische lezers van me, van één zo'n lullig zinnetje word ik koud en ijzig en ongenaakbaar en afstandelijk en frigide. Om maar even een beeld te scheppen. Want op de foto in kwestie is nauwelijks te zien dat ik überhaupt een lichaam heb, laat staan dat het iets is om te liken. Het is een intro naar vieze praat, dat is het. En in huize Jan is dat na een paar alinea's nog veel te vroeg. Eerst koffie. Dan vieze praat. Basta.



Als ik niet veel later een foto op Instagram plaats van mijn lieve kat die op mijn blote voeten ligt te slapen, krijg ik een berichtje van de jongste dochter. "Niet gratis je voeten op Insta, mam."
Of dat een grap is, vraag ik, babyboomer, maar nee, kennelijk is het een bekend verdienmodel. Ik heb eigenlijk best mooie voeten, zeg ik tegen de kat. Wellicht als aanvulling van mijn magere pensioen?
De getrouwde man meldt zich nog een laatste keer. Of ik toch niet een keer koffie met hem wil gaan drinken. Hij trakteert. Niet alleen gepassioneerd, ook nog eens gul, denk ik. Dag dag, zeg ik, en blokkeer hem. Hoe anders waren de dagen in 1985. De moeite die ik toen moest doen om vreemd te gaan. Ongekend. 



zondag 2 maart 2025

Snob in Suburbia

Het is al 10 over 11 als ik wakker schrik uit een diepe, droomloze slaap. Even weet ik niet waar ik ben, terwijl ik toch al bijna 8 jaar gewoon elke ochtend in hetzelfde bed en hetzelfde huis ontwaak. Het is stil in huis. Dochter S is naar het paard, kat M houdt zich vooralsnog gedeisd. Ik pak mijn telefoon. 

Mijn broer heeft gebeld, mijn oudste dochter appt hoe het gaat, de vrouw van mijn neef is jarig en vriend P heeft een smiley gestuurd op Signal. Dan zie ik de bevestiging dat ik om 2 uur 's nachts een jas heb gekocht. Een Barbour waxed parka voor 347 euro. "Jezus", zeg ik hardop. Voor wie niet weet wat Barbour is, het is een oud Brits kledingmerk dat traditionele outdoorkleding maakt, waarvan vooral de wax jassen bekend zijn door dragers als het Engelse koningshuis en andere snobs. En ik citeer: "hoewel de klassieke jassen vooral door plattelandbewoners worden gedragen, schreeuwt het dragen van een Barbour ook dat je van oud geld komt en je weet hoe je een fazant plukt." Ja, u mag even lachen. Want niets van dit alles is ook maar enigszins van toepassing op yours truly. Behalve het snob gedeelte dan. En toch wil ik al jaren zo'n jas. Dat komt zo. 

Vooropgesteld, je kunt veel beter een paar kwalitatief goede en eerlijk gefabriceerde kledingstukken in je kast hebben hangen die jaren en jaren meegaan, dan elke week iets nieuws kopen in de baggerfabriek die China heet. Dat weet iedereen. Maar eerlijk is eerlijk, dat is niet mijn hoofdreden. Ik heb al sinds mensenheugenis een droombeeld voor ogen. Als ik groot ben, dan woon ik op het platteland met katten, honden, kippen en paarden, rijd ik in een Landrover Defender uit de jaren 70 en bij dit alles draag ik een Barbour wax jas en Hunter regenlaarzen. Feitelijk het leven van de late Queen Elisabeth de tweede, maar dan de Hollandse armoe versie. 

Niets van dat alles is ook maar enigszins uitgekomen. Geen landhuis of boerderij op het platteland maar een eengezinswoning in suburbia. Geen Defender maar een Twingo. En maar één kat, meer niet, zelfs het paard is een lease (goddank, want gisteren had hij de racekak en elke paardenliefhebber weet dat als dit niet heel snel overgaat het vele, vele euro's aan dierenarts of kadaverdienst gaat kosten) en die hond (natuurlijk een labrador), die mag pas weer als ik niet meer alle dagen werk. 

Waarom ik dan nu ineens in de nachtelijke uren zo'n jas heb gekocht? Misschien is het de gedachte aan mijn eigen sterfelijkheid. Waarom zou ik sparen voor later als later misschien nooit komt? Of is het 't latente en onverbiddelijke besef dat mijn droom nooit zal uitkomen? Maar ik vermoed dat het te maken heeft met het verlies van een van mijn Ted Baker (alweer Britse) handschoenen eerder deze week. En ik was er zo zuinig op. Ze pasten perfect bij mijn handtas van dezelfde ontwerper en ik had ze een paar jaar terug in de uitverkoop gekocht voor de helft van de oorspronkelijke prijs. "In Ted we trust", zeiden S en ik tegen elkaar als we daar weer teveel geld hadden uitgegeven. 

Gewoontegetrouw voel ik altijd even of ze niet uit mijn zak zijn gevallen als ik mijn autosleutels heb gepakt, maar ineens miste ik er toch een, vorige week zaterdag. Ik ben alle plekken afgegaan waar ik was geweest. De supermarkt, de drogist, de bloemenkraam. Ik had ook getankt en het vuil en het glas weggebracht. Maar niets. Nergens. Gisteren ging ik het hele riedeltje nog een keer af. "Echt niet?", vroeg ik aan de chagrijnige caissière. "Echt niet?", aan mijn bloemenman.  Daarna zat ik mokkend bij mijn schoonzus. Die mijn hele Ted niet kent, het designer concept sowieso geldverspilling en onzin vindt, maar mijn frustratie begreep.

's Nachts zag ik online dat de handschoenen niet meer verkrijgbaar waren. Ted Baker was sinds augustus 2024 failliet! Ik was geschokt. "Waarom wisten wij dit niet", vroeg ik de volgende dag aan mijn al even snobistische dochter. "En wist je dat ze daarvoor al waren overgenomen door een Amerikaans bedrijf?" "Dat verklaart wel waarom de kleding een beetje ordi was geworden", zei S. "Nu je t zegt", zei ik, en zeeg neer op haar bankje. "Je kunt ook nergens meer van op aan."

Kortom, je hoeft geen psycholoog te zijn om de stap naar de jas te begrijpen. In deze idiote, losgeslagen wereld, waarin de leiders krankzinniger zijn dan hun stemmers en je op niemand meer kunt vertrouwen, is zo'n jas belangrijk. Dat snapt een kind. 



vrijdag 14 februari 2025

Spoedeisende Hulp

Jetty van Jan was weer bezig deze week. Krap twee weken geleden werd ik in de avond plots onwel. Het was de dag na een verjaardagsfeest met allerhande drank en snacks dus dat was de oorzaak, besloot ik, terwijl ik krampend op de bank zat en wachtte tot het overging. Op woensdag zakte het inderdaad weer, maar de donderdag erna vlamde het in alle hevigheid weer op en op vrijdag kon ik nauwelijks lopen van de pijn. Toch maar even naar de huisarts. Half en half had ik verwacht dat hij "me and my hypochondrie" zou wegsturen met geruststellende woorden als "virusje" en "Nee, je gaat niet dood, althans nu nog niet", zoals altijd. Maar tot mijn verbazing deed hij dat niet. Ik probeerde me er nog met wat flauwe grappen vanaf te maken, ook zoals altijd, maar hij gebood mij (met ernstige blik) om een noodtas te pakken en me te melden bij de spoedeisende hulp. Nou, dat was me wat. Enigszins verdwaasd reed ik naar huis, propte een onderbroek, mijn pyjama, tandenborstel, bril en oplader (en nog wat rare zaken die ik helemaal niet nodig had) in een toilettas, appte mijn kinderen, en reed naar het ziekenhuis. Daar kreeg ik een bandje met barcode om mijn pols als bewijs dat ik bestond en toen kon het grote wachten beginnen. Het was 16:45 uur.

Een kwartier later arriveerde dochter S, die er ondanks mijn herhaaldelijk weigeren op stond om mee te wachten. Na een uur kreeg ik een aderlating van maar liefst 7 buisjes bloed en na weer een uur volgde de intake bij een tweetal olijke verpleegkundigen, die zich, zoals te doen gebruikelijk tegenwoordig, creatief hadden uitgeleefd op happy socks en bijpassende klompen. Je moet wat als je dagelijkse dresscode zo voorspelbaar is (lijkt me heerlijk trouwens). Ik schoof een wachtkamer op in de hiërarchie, nummer 3 inmiddels, die vol zat met reutelende baby’s en één oude, te zware man in een veel te strakke broek. Vrij snel werd ik meegenomen door een ontzettend aardige chirurg in opleiding, die zelfs de goedkeuring van S kon wegdragen, zo knap en stralend zat hij erbij.
‘Kan een blindedarmontsteking zijn’, zei hij, terwijl hij vrolijk in mijn buik duwde. ‘Of diverticulitis.’ Duw. Duw. ‘Geschiedenis van buikoperaties?’, vroeg hij. ‘Een galblaas’, zei ik, ‘Oh, en een keizersnee, van haar.’ En ik wees naar de dader, die, gelaten zittend op een houten stoeltje, zich weer kapot zat te schamen voor haar moeder die zelfs krimpend van pijn geen weerstand kon bieden aan de drang om te pleasen.

Daarna kreeg ik een infuusje, zoals ze het noemden (kennelijk heb je ook grote, echte infusen, het betere werk, zeg maar, die, zo zie ik voor me, alleen bij belangrijkere mensen dan ik op een rijdende stellage van computergestuurde draden en buizen naar binnen worden gereden), en moest ik de CT-scan in. Ooit een scan met contrastvloeistof gehad? Het is een wonderlijk gevoel als dat spul je lichaam binnendringt. Je kunt precies de route volgen die je bloedstroom aflegt. Als je plotseling een warme kop krijgt en een metalen smaak in je mond, dan weet je, althans, zo mag ik het graag denken, dat er geen obstructies in je wegennet zitten, een hele geruststelling. Nog geen 5 seconden later krijg je het gevoel of je moet plassen. Van een eerdere keer weet ik: dat is niet zo, maar ook nu kneep ik de boel toch maar even aan, voor de zekerheid. Maar voor dit alles moest de bh uit.
‘Daar is een kleedhokje’, wees de mannelijke verpleger, maar ik was al bezig met de voor vrouwen (en ja, ook de tot vrouw gewordenen of Thaise she-males) bekende bh-truc uit te voeren (door je mouw heen de bandjes van je armen afhalen, onder je trui loshaken, et voilà).
‘Huup, huup, Barbatruc’, zei ik er nog bij. Hij verblikte of verbloosde niet, aan zijn grijze haar te zien liep hij al wat langer mee in deze idiote wereld. ‘Maar zo kan het ook’, zei hij droogjes.

Inmiddels was het half 10. Ik was moe en had pijn. En de bank waarop we zaten kraakte en piepte bij elke beweging. Soms strompelde ik als een oud vrouwtje naar het koffieapparaat voor een bekertje thee.
‘Wat een manier om je vrijdagavond door te brengen, hè, zei ik tegen de te dikke man. Hij zat er ongemakkelijk bij. Aan zijn linkerhand blonk een brede trouwring, maar hij was alleen, dat vond ik zielig. ‘Mijn huisarts heeft me doorgestuurd’, zei hij, ‘Omdat ik een enorme bult op mijn bil heb. Een abces, denkt hij. En als dat knapt komt het in mijn bloedbaan.’ Ik keek naar het magere straaltje water dat in mijn bekertje stroomde en daar langzaam bruin kleurde. Mijn visuele vermogen, soms een zegen, vaker een vloek, ging met me aan de haal. ‘Dan zit u er oprecht niet goed bij’, zei ik vriendelijk en sleepte me terug naar mijn plek.
Even later hoorde ik hem bellen. ‘Ze houden me hier’, zei hij zo luid dat iedereen het wel moest horen, ‘Ze gaan het pus eruit zuigen’.
‘Oh’, kreunde ik zachtjes.
Ssst, gebaarde S geërgerd.
‘Succes’, riep ik toch maar, toen hij in een bed voorbij werd gereden, liggend op zijn zij.

Naast ons was een lief en ontzettend welgemanierd meisje van een jaar of 8 eindelijk in slaap gevallen. Haar moeder keek zorgelijk op haar neer en legde haar jas over haar heen. Het klagende stel ernaast (wat duurt het lang, schandalig toch, zij waren er later dan wij, oh hoelang nog) was eindelijk opgehoepeld, er kwam een man binnen met een gebroken pols en even verderop in de gang schreeuwde een onzichtbare vrouw auw, auw, met lange uithalen. Het was 11 uur.

Om half 12 kwam een van de gezusters Vrolijk en co. langs, ik herkende haar aan de roze klompen. ‘Jeetje, zitten jullie hier nou nog?’ zei ze verbaasd. ‘Ik ga even vragen of ze jullie niet vergeten zijn!’
Na 5 minuten kwam de aardige arts. Ik denk dat hij lekker aan de koffie met de andere hulpverleners had gezeten, of misschien had hij wel even een powernapje gedaan in een kamertje voor uitgeputte artsen, maar hij keek erbij alsof hij net de uitslag had.
‘Wat ik al dacht: diverticulitis, fase Hinchey 1B’, zei hij.
‘Is dat erg’, vroeg ik, ‘En hoeveel fases zijn er?’
‘Er zijn er 4, of eigenlijk 5, want 1 is in tweeën gesplitst’, zei hij, ‘Maar bij 4, tja, dan heb je een perforatie en lig je op de IC’, voegde hij er opgewekt aan toe. ‘En bij 2, dan moet je aan het infuus’ (het grote, dacht ik meteen, vast het grote!). Hij tekende de situatie van alle stadia op een whiteboard. ‘Goed nieuws dus’, besloot hij, ‘Je mag naar huis.’
Ik kreeg medicatie, adviezen over rust en vloeibaar voedsel, terugkomen als het niet overgaat, bla, bla, bla, maar ik hoorde alleen maar: naar huis. Het was vrijdagavond, half 12.

Thuis zag ik dat er twee boeken in mijn noodtas zaten, maar dat mijn toilettas nog op tafel stond.